De Traditie schrijft voor dat de rol van misdienaar altijd voorbehouden is geweest aan mannen – en terecht. Deze kwestie heeft niets te maken met de 'gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen', hoewel onze maatschappij, die zo geobsedeerd is door revolutionair egalitarisme en 'vrouwenemancipatie' (= een dwaling uit de Sovjetunie!) deze kwestie vaak ten onrechte in die context plaatst. De nabijheid van de misdienaar tot het fysieke altaar en de offerhandeling – waarmee de mens God de verschuldigde eer bewijst – maakt hem ontvankelijker voor Gods roeping tot het priesterschap. Door aan het altaar te dienen, kan een jongeman het priesterschap beter onderscheiden. Sterker nog, dergelijke liturgische dienst is één van de grootste bronnen van genade voor de priesterlijke roeping. Het is daarom in strijd met de vroomheid om een meisje te laten dienen, omdat dit een verkeerd beeld (zelfs een valse verwachting!) kan scheppen dat zij door God tot het priesterschap geroepen zou kunnen worden. Omwille van diezelfde reden is het verboden om gehuwde (niet-celibataire) mannen te laten dienen.
Vrouwen zijn absoluut verboden aan het altaar
In de encycliek Allatae Sunt van 26 juli 1755 verklaarde Paus Benedictus XIV in paragraaf 29:
“Paus Gelasius (5de eeuw) veroordeelde in zijn negende brief (hoofdstuk 26) aan de bisschoppen van Lucanië de kwalijke gewoonte dat vrouwen de priester dienden tijdens de Mis. Omdat dit misbruik zich ook onder de Grieken had verspreid, verbood Innocentius IV (13de eeuw) het strikt in zijn brief aan de bisschop van Tusculum: "Vrouwen mogen het niet wagen aan het altaar te dienen; deze bediening moet hun volledig worden ontzegd". Ook wij hebben deze praktijk in dezelfde bewoordingen verboden in onze veelvuldig geciteerde constitutie Etsi Pastoralis, sectie 6, nr. 21.”
Het verbod voor vrouwen om aan het altaar te dienen werd bevestigd in het Kerkelijk Wetboek van 1917 (Canon 813, § 2), met enkele verduidelijkingen: "Wanneer geen man beschikbaar is om de antwoorden uit te spreken kan een vrouw deze om een gegronde reden uitspreken, maar enkel op voorwaarde dat zij de antwoorden op een afstand uitspreekt en op geen enkele wijze het altaar nadert". Simpel gezegd betekent dit dat geen enkele vrouw het priesterkoor (de ruimte tussen de communiebank en het altaar) mag betreden tijdens de Heilige Mis. Kortom, het Kerkelijk Wetboek van 1917 beperkte de "dienende rol" van een vrouw tot het uitspreken van de antwoorden, en dan alleen als daar een voldoende noodzakelijke reden voor was.
In 1970 veroordeelde het Vaticaan vrouwelijke misdienaars in Liturgicae instaurationes en ook nog in 1980 in Inaestimabile donum. Pas in de ketterse circulaire van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten aan de voorzitters van de bisschoppenconferenties op 15 maart 1994 stond het Vaticaan de vrouwelijke misdienaar officieel toe in de Novus Ordo.
Dit is echter een complete breuk met de Traditie en heeft geleid tot vele liturgische misbruiken, vrouwen die denken dat zij om de wijding vragen (wat ketters is) en minder mannen die priester worden.
In 1970 veroordeelde het Vaticaan vrouwelijke misdienaars in Liturgicae instaurationes en ook nog in 1980 in Inaestimabile donum. Pas in de ketterse circulaire van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten aan de voorzitters van de bisschoppenconferenties op 15 maart 1994 stond het Vaticaan de vrouwelijke misdienaar officieel toe in de Novus Ordo.
Dit is echter een complete breuk met de Traditie en heeft geleid tot vele liturgische misbruiken, vrouwen die denken dat zij om de wijding vragen (wat ketters is) en minder mannen die priester worden.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten