vrijdag 23 mei 2014

Beste Didier Pollefeyt van de Faculteit 'Godgeleerdheid' aan de K.U.Leuven, en brein achter 'Thomas', de website van het zogenaamde 'Katholiek Godsdienstonderwijs' in Vlaanderen, knoop het volgende eens goed in uw oren:


Het officiële standpunt van de Kerk:


"WIJ HERINNEREN ONS: EEN BESCHOUWING OVER DE SHOAH"

Commissie voor religieuze betrekkingen met de joden
Kardinaal Edward Idris Cassidy, voorzitter
Datum:    16 maart 1998


HOOFDSTUK 3 - Verhoudingen tussen joden en christenen


3 De geschiedenis van de betrekkingen tussen joden en christenen is een veel geplaagde. Zijne heiligheid paus Johannes Paulus II heeft dat ook erkend in zijn herhaalde oproep aan Katholieken om onze plaats te bepalen met betrekking tot onze verhouding tot het joodse volk. Al met al valt de balans van deze betrekkingen gedurende tweeduizend jaar zeer negatief uit.

In de begintijd van het Christendom, na de kruisiging van Jezus, ontstonden er conflicten tussen de vroege Kerk en het joodse volk en hun leiders, die in hun trouw aan de wet de verkondigers van het evangelie en de eerste christenen soms vurig bestreden. In het heidense Romeinse rijk genoten de joden wettelijke bescherming op grond van de privileges die hun door de keizer waren toegekend. De autoriteiten maakten aanvankelijk geen onderscheid tussen joodse en christelijke gemeenschappen. Al gauw werden de christenen echter van staatswege vervolgd. Later, toen de keizers zich zelf tot het christendom bekeerden, bleven de joodse privileges eerst nog gewaarborgd. Maar de christelijke bendes die aanslagen pleegden op heidense tempels, richtten zich soms ook tegen synagogen, zeker ook onder invloed van bepaalde interpretaties van het Nieuwe Testament ten aanzien van het joodse volk als geheel. "Er hebben in de christelijke wereld - ik zeg niet in de Kerk als zodanig - te lang onjuiste en onterechte interpretaties van het Nieuwe Testament ten aanzien van het joodse volk en hun vermeende schuld de ronde gedaan, die vijandelijke gevoelens ten opzichte van dit volk hebben voortgebracht." Dit soort interpretaties van het Nieuwe Testament zijn door het Tweede Vaticaans Concilie definitief en in hun totaliteit verworpen.

Ondanks de christelijke verkondiging van liefde voor allen, zelfs voor je vijanden, werden door de eeuwen heen minderheden en mensen die in enig opzicht 'anders' waren door de heersende mentaliteit gestraft. Anti-joodse gevoelens in bepaalde christelijke kringen en de kloof die bestond tussen de Kerk en het joodse volk leidden tot een algemeen voorkomende discriminatie, die soms uitliep op verdrijvingen of pogingen tot gedwongen bekering. In een groot deel van de 'christelijke' wereld was de juridische status van mensen die niet christelijk waren tot het einde van de achttiende eeuw niet altijd volledig gewaarborgd. Desondanks hielden de joden door heel de geschiedenis van het christendom heen vast aan hun religieuze tradities en de gebruiken binnen hun gemeenschap. Zij werden daarom met een zekere argwaan en wantrouwen bekeken. In tijden van crisis, als hongersnood, oorlog, pest of sociale spanningen, werd de joodse minderheid soms aangewezen als zondebok en werd zij het slachtoffer van geweld, plundering en zelfs slachtingen.

Rond het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw hadden de joden in de meeste landen over het algemeen een positie verkregen die gelijk was aan die van andere burgers en bekleedde een aantal van hen invloedrijke functies in de samenleving. Maar in diezelfde historische context, met name in de negentiende eeuw, vatte er een vals en verhevigd nationalisme post. In een klimaat van ingrijpende sociale veranderingen werden de joden er vaak van beschuldigd naar verhouding te veel invloed te hebben. Zo begon zich in het grootste deel van Europa een meer of minder sterke vorm van anti-judaïsme te verspreiden, die in wezen meer van sociologische en politieke dan van godsdienstige aard was.

Tegelijkertijd staken er theorieën de kop op die de eenheid van het menselijk ras ontkenden en beweerden dat er een oorspronkelijke ongelijkheid tussen de verschillende rassen zou bestaan. In de twintigste eeuw gebruikte het nationaal-socialisme in Duitsland deze ideeën als een pseudo-wetenschappelijke basis voor het onderscheid tussen de zogenaamde Noords-Arische rassen en naar hun idee inferieure rassen. Verder versterkte zich in Duitsland een extreme vorm van nationalisme naar aanleiding van de nederlaag van 1918 en de zware maatregelen die door de overwinnaars waren opgelegd, met als gevolg dat velen het nationaal-socialisme als een oplossing voor de problemen van hun land beschouwden en hun politieke medewerking aan deze beweging verleenden.

De Kerk in Duitsland reageerde met een veroordeling van racisme. Die veroordeling klonk het eerst in de prediking van enkele geestelijken, in de verkondiging van de Katholieke bisschoppen en in de geschriften van Katholieke journalisten. Al in februari en maart 1931 publiceerden Kardinaal Bertram van Breslau, Kardinaal Faulhaber en de bisschoppen van Beieren, de bisschoppen van de provincie Keulen en die van de provincie Freiburg pastorale brieven waarin zij het nationaal-socialisme en daarmee verbonden verheerlijking van ras en staat veroordeelden.

De bekende Adventspreken van Kardinaal Faulhaber in 1933, het jaar waarin het nationaal-socialisme aan de macht kwam, waarbij niet alleen Katholieken maar ook protestanten en joden aanwezig waren, verwoordden een duidelijke afwijzing van de antisemitische nazi-propaganda.

Na de Kristallnacht bad Bernhard Lichtenberg, proost van de kathedraal van Berlijn publiekelijk voor de joden. Hij zou later sterven in Dachau en is zalig verklaard.

Ook Paus Pius XI sprak een ernstige veroordeling van het nazi-racisme uit in zijn encycliek
Mit brennender Sorge die op Passiezondag 1937 in de Duitse kerken werd voorgelezen, een stap die aanslagen en strafmaatregelen tegen geestelijken tot gevolg had. In een toespraak tot een groep Belgische pelgrims verklaarde Pius XI op 6 september 1938: "Antisemitisme is onaanvaardbaar. In geestelijk opzicht zijn wij allen Semieten."

Pius XII waarschuwde in zijn allereerste encycliek, Summi Pontificatus van 20 oktober 1939, tegen theorieën die de eenheid van het menselijk ras ontkenden, alsmede tegen de verheerlijking van de staat, hetgeen volgens hem zou leiden tot een ware "tijd van duisternis".


HOOFDSTUK 4 - Nazistisch antisemitisme en de Shoah

4 We mogen dus niet het verschil uit het oog verliezen tussen het antisemitisme, dat is gebaseerd op theorieën die in strijd zijn met de leer van de Kerk ten aanzien van de eenheid van het menselijk ras en de gelijkwaardigheid van alle rassen en volken, en de reeds lange tijd bestaande gevoelens van wantrouwen en vijandigheid die we aanduiden als anti-judaïsme, waaraan helaas ook christenen zich schuldig hebben gemaakt.

De nationaal-socialistische ideologie ging nog verder, in de zin dat zij weigerde een transcendente werkelijkheid te erkennen als de bron van het leven en het criterium voor het moreel goede. Bijgevolg eigende een groep mensen en de daarmee verbonden staat zich een absolute status toe en besloten zij een einde te maken aan het bestaan van het joodse volk, een volk dat geroepen was om te getuigen van de ene God en de Wet van het Verbond. Op het niveau van theologische beschouwingen kunnen we het feit niet uit de weg gaan dat een groot deel van de nazi-partij zich niet alleen afkerig toonde van het idee van een goddelijke Voorzienigheid die ingreep in menselijke aangelegenheden, maar zelfs blijk gaf van een regelrechte haat jegens God zelf. Die houding leidde logischerwijs ook tot een afwijzing van het christendom en de wens om de Kerk vernietigd te zien of op zijn minst onderworpen aan de belangen van de nazi-staat.

Het was deze extreme ideologie die de basis vormde voor de genomen maatregelen om de joden eerst uit hun huis te verdrijven en vervolgens uit te roeien. De Shoah was het werk van een door en door modern neo-heidens regime. Het antisemitisme van dit regime had zijn wortels buiten het christendom en heeft bij het nastreven van zijn doelstellingen niet geaarzeld om ook de Kerk te bestrijden en haar leden te vervolgen.

Men kan zich echter afvragen of de nazi-vervolging van de joden niet werd vergemakkelijkt door de anti-joodse vooroordelen die in het hart en de geest van sommige christenen leefden. Maakten de anti-joodse gevoelens onder christenen hen minder gevoelig of zelfs onverschillig voor de vervolgingen die door het nationaal-socialisme tegen de joden werden ondernomen toen het aan de macht kwam?

Bij ieder antwoord op deze vraag moet in aanmerking worden genomen dat we hier te maken hebben met de geschiedenis van opvattingen en denkwijzen van mensen, die aan allerlei invloeden onderhevig zijn. Bovendien waren veel mensen zich in het geheel niet bewust van de Endlösung die tegen een geheel volk werd uitgevoerd. Anderen vreesden voor zichzelf en hun dierbaren. Sommigen maakten misbruik van de situatie en weer anderen werden gedreven door afgunst. Het antwoord op de vraag dient per geval gegeven te worden. Om dat te kunnen doen, moeten we weten wat mensen in een bepaalde situatie precies bewoog.

Aanvankelijk trachtten de leiders van het Derde Rijk de joden te verdrijven. Helaas waren de regeringen van een aantal westerse landen met een christelijke traditie, waaronder enkele landen in Noord- en Zuid-Amerika, te terughoudend in de openstelling van hun grenzen voor de vervolgde joden. Hoewel zij niet konden voorzien hoe ver de nazi's in hun misdadige bedoelingen zouden gaan, waren de politieke leiders van die landen wel op de hoogte van de grote problemen en gevaren waaraan de joden die binnen de grenzen van het Derde Rijk woonden, blootstonden. Het onder die omstandigheden sluiten van de grenzen voor joodse immigranten legt, of het nu werd ingegeven door anti-joodse gevoelens van vijandigheid of wantrouwen, door politieke lafheid of kortzichtigheid of door nationale zelfzucht, een zware last op het geweten van de betreffende autoriteiten.

In de landen waar de nazi's hun massale deportaties uitvoerden, had de wreedheid waarmee deze gedwongen transporten van hulpeloze mensen gepaard ging, het ergste moeten doen vermoeden. Hebben christenen alle mogelijke hulp verleend aan hen die werden vervolgd en in het bijzonder aan de vervolgde joden?

Velen hebben dat wel gedaan, maar sommigen niet. Zij die wel alles hebben gedaan wat ze konden om het leven van joden te helpen redden en daarbij zelfs hun eigen leven op het spel zetten, mogen niet vergeten worden. Tijdens en na de oorlog hebben joodse gemeenschappen en joodse leiders hun dank betuigd voor alles wat er voor hen gedaan was, inclusief hetgeen Paus Pius XII persoonlijk of via zijn vertegenwoordigers heeft gedaan om het leven van honderdduizenden joden te redden.

Vele katholieke bisschoppen, priesters, religieuzen en leken zijn om deze reden door de staat Israël geëerd.

Toch was - dat heeft paus Johannes Paulus II ook erkend - afgezien van die moedige mannen en vrouwen, het geestelijke verzet en de concrete actie van andere christenen niet wat men van de volgelingen van Christus had mogen verwachten. Het valt niet te zeggen hoeveel christenen in landen die door de nazi's of hun bondgenoten werden bezet of overheerst, ontzet waren door het verdwijnen van hun joodse buren, maar eenvoudigweg niet sterk genoeg waren om hun protest te laten horen. Voor christenen moet deze zware gewetenslast van hun broeders en zusters uit de Tweede Wereldoorlog een oproep tot boetedoening zijn.

Wij betreuren de fouten en de nalatigheid van deze zonen en dochters van de Kerk ten diepste. We scharen ons achter de woorden van de verklaring Nostra Aetate van het Tweede Vaticaans Concilie, die in ondubbelzinnige bewoordingen stelt: "Indachtig het met de joden gemeenschappelijk erfdeel en gedreven niet door politieke overwegingen maar door godsdienstige evangelische liefde, betreurt de Kerk, die alle vervolgingen tegen wie ook verwerpt, bovendien de haat, de vervolgingen en de uitingen van antisemitisme die, wanneer en door wie ook tegen de joden zijn gericht."

We wijzen op en houden vast aan de woorden van paus Johannes Paulus II in zijn toespraak tot de joodse gemeenschap in Straatsburg in 1988: "Ik spreek hier bij u opnieuw de strengst mogelijke veroordeling uit over het antisemitisme en racisme, die in strijd zijn met de principes van het christendom."

De Katholieke Kerk wijst derhalve iedere vervolging van een volk of groep mensen, waar en wanneer dan ook, af. Ze veroordeelt alle vormen van volkerenmoord en de racistische ideologieën waaruit die voortkomen. Terugkijkend op deze eeuw zijn wij diep bedroefd over het geweld dat hele volken en landen in zijn greep gehad heeft. We wijzen in het bijzonder op de afslachting onder de Armeniërs, de talloze slachtoffers in de Oekraïne in de jaren dertig, de volkerenmoord op de zigeuners, die ook voortkwam uit racistische ideeën, en soortgelijke tragedies die zich hebben afgespeeld in Amerika, Afrika en de Balkan. Noch vergeten wij de miljoenen slachtoffers van de totalitaire ideologie in de Sovjetunie, in China, Cambodja en andere landen. Noch kunnen we het drama in het Midden-Oosten vergeten, waarvan de details bekend zijn. En ook op het moment dat wij deze beschouwing geven, "worden vele mensen nog altijd het slachtoffer van hun broeders".

Rome, 16 maart 1998

Kardinaal Edward Idris Cassidy, voorzitter

Zijne hoogwaardige excellentie Pierre Duprey, vice-voorzitter
De eerwaarde Remi Hoeckman, o.p., secretaris

1 opmerking:

Anoniem zei

GA, je voert een politiek debat. De katholieke Geloofsleer en politiek gaan niet hand in hand.

Politici, machthebbers, wereldleiders, grootindustriëlen, of bankiers doen aan politiek. Politiek is per definitie het werktuig waarmee zij een voordeel voor zichzelf creëren, terwijl de allure van macht en geld het instrument is waarmee de duivel zielen van de Kerk wegtrekt. Macht- en hebzuchtige mensen deinen er niet voor terug een hele maatschappij in slavernij te storten of bloedige oorlogen te ontketenen. In essentie zijn de meeste oorlogen alleen uit hebzucht ontketend om pas naderhand een rechtvaardiging voor die oorlog te leveren, door een etiologisch delirium te verspreiden waarmee de ware oorzaak voor een oorlog verborgen wordt en handen in onschuld te wassen. Pollefeyt heeft er een doctoraat in.

Uiteraard wordt de Kerk hierin niet gespaard. Macht- en hebzucht zijn nu eenmaal instrumenten van de duivel. Alles in beschouwing genomen concludeer ik dat de Kerk er door de eeuwen heen er niet zo slecht vanaf gekomen is. Keizerrijken en grootmachten zijn gekomen en gegaan, maar de Kerk is er nog steeds. Het grote probleem is echter dat vele bisschoppen de Kerk weigeren te verdedigen en marionetten worden van de macht- en hebzuchtigen.

Vergeet ook niet dat de recente kritiek op de ‘Thomas’ website alleen mogelijk geweest is omdat ‘Thomas’ de video waarin Aartsbisschop Léonard godsdienstonderricht zonder God als de antichrist beschreef, van hun website verwijderd hebben. Het moet een grote troost zijn dat zij die dom genoeg zijn de Kerk te haten, zichzelf in de voeten schieten. Het kwade zal altijd zichzelf vernietigen. Hij die het zwaard hanteert zal erdoor vergaan.

Daarenboven moet het een aanmoediging zijn wanneer men ziet hoe zwak de kerkhaters zijn; een video die er niet meer is, spreekt luider dan alle boeken van Pollefeyt tezamen, of de hele bibliotheek van de faculteit godsgeleerdheid aan de KUL voor dat part. Eén zin van één bisschop en het hybris van Babel stort in elkaar.

S.E. Mons. Mario OLIVERI - Vescovo emerito di Albenga-Imperia

S.E. Mons. Mario OLIVERI - Vescovo emerito di Albenga-Imperia

Raymond Kardinaal Burke: ‘We have to judge acts’

Raymond Kardinaal Burke: ‘We have to judge acts’

We Stand In Support of Padre Stefano Manelli

We Stand In Support of Padre Stefano Manelli

Raymond Kardinaal Burke

Raymond Kardinaal Burke
Curie-Kardinaal en Prefect van de 'Hoogste Rechtbank van de Apostolische Signatuur', zei op 13 december 2013: "Het 'Evangelii Gaudium' van Bergoglio behoort NIET tot het Pauselijke Magisterium"

Paus Benedictus XVI

Paus Benedictus XVI

Een meditatie over het Heilig Misoffer